Windrecht

From gentCommonsWiki
Jump to: navigation, search


Beschrijving

Tom Willens:

"De planmatige aanpak is nodig om werk te maken van nieuwe energielandschappen, ook in het buitengebied, in zones die momenteel niet voldoen aan het Vlaamse bundelingsprincipe. In zo’n proces kan er voldoende aandacht gaan naar mitigerende maatregelen, zoals het aanplanten van bomenrijen of de onteigening van zonevreemde woningen die te veel hinder zouden ondervinden van de windturbines. Ook de netbeheerders zijn gebaat bij een planmatige aanpak. Ze kunnen hun investeringsplannen daar dan tijdig aan aanpassen en tegen lagere kosten.

De invoering van het windrecht moet gebruikt worden om sociaaleconomische randvoorwaarden op te leggen, waaronder het openstellen van een aanzienlijk deel van het windproject voor rechtstreekse participatie van burgers. Windenergie is immers gemeengoed. Het is dus niet wenselijk dat de exploitatie van deze natuurlijke rijkdom nog verder geprivatiseerd wordt in het voordeel van een beperkte groep personen. In het ideale geval wordt aan zoveel mogelijk mensen de mogelijkheid gegeven om mee te investeren in een energievoorziening waarvan ze zelf ook de stroom kunnen afnemen en waarover de ze democratische controle kunnen uitoefenen. Windprojecten moeten dus gebruikt worden om te werken aan gemeenschapsopbouw.

Voor de toekenning van het windrecht moeten geschikte zones gefaseerd aangeboden worden, nadat een onderzoek over de milieueffecten op het planniveau afgerond werd met de bijhorende processen van informatie en communicatie. De gefaseerde toewijzing moet gelijke tred houden met het voorziene groeipad voor windenergie.

Sommigen stellen dat de invoering het windrecht niet in botsing zou mogen komen met een aantal fundamentele rechten zoals de contractvrijheid van de grondeigenaar en/of het rechtzekerheidsbeginsel in hoofde van de projectontwikkelaar. Men zou immers kunnen stellen dat deze regeling retroactief ingrijpt op een al opgestarte projectontwikkeling voor windenergie. Daartegenover staat dat geen enkel fundamenteel recht absoluut is en dat de overheid weldegelijk beperkingen kan opleggen, onder de voorwaarde dat de inbreuk gemotiveerd wordt als voldoende zwaarwegend ter bescherming van een ander fundamenteel recht, zoals bijvoorbeeld het recht op een gezond leefmilieu of het verzekeren van de energiebevoorradingszekerheid of meer in het algemeen het bewerkstelligen van duurzame ontwikkeling.

Vanuit maatschappelijk oogpunt lijkt het in ieder geval niet gepast om zowel de contractvrijheid als het rechtzekerheidsbeginsel zo ruim te interpreteren, dat de speculatieve verwerving van opties op grondgebruik, tegen prijzen die vanuit maatschappelijk oogpunt niet aanvaardbaar zijn, in bescherming genomen wordt. Zeker niet omdat er daardoor een quasimonopoliepositie op het gebruik van de wind in een bepaald gebied ontstaat. Er lijkt dus voldoende rechtsbasis te zijn om desnoods via onteigening, de nodige percelen (niet meer dan de bouwput en kraanplaats, ongeveer 1/5 van een hectare) ter beschikking te stellen voor de ontwikkeling van windenergie.

Volgens een liberale interpretatie van eigendomsrechten moet bij de toewijzing van een exclusief exploitatierecht voor wind in een bepaalde zone er ook een billijke vergoeding worden toegekend aan de ontwikkelaars die in de zone al opstalovereenkomsten hebben afgesloten. Deze ‘zakelijke rechten’ zouden immers een ‘patrimoniale waarde’ hebben en via de toekenning van het windrecht zouden deze rechten dan de facto ‘onteigend’ worden. Volgens sommigen zou voor deze ‘onteigening’ een hoge schadevergoeding betaald moeten worden.

Deze redenering lijkt ons ver gezocht en ingegeven vanuit een sterke nadruk op het privaat eigenbelang, vermits

(1) het uiteindelijk maar om opties gaat voor het afsluiten van overeenkomsten, die slechts bekrachtigd kunnen worden bij notariële akte indien het project over de nodige vergunningen beschikt,

(2) het stedenbouwkundig en milieutechnisch onmogelijk is om alle aangegane opties in een bepaalde zone te verzilveren en

(3) op die manier het speculatief gedrag beloond zou worden dat juist de ontwikkeling van windenergie ten voordele van het algemeen belang ondermijnt.

De invoering van een windrecht is juridisch haalbaar en ook maatschappelijk wenselijk. We suggereren echter om de projectontwikkelaars die actief zijn binnen de aangeduide zones toch nog te betrekken bij de toekenning van het windrecht en daarvoor een billijke verdeelsleutel uit te werken. Daarbij moet de helft van de windoogst voorbehouden worden voor de directe participatie van de burgers, indien er daarvoor voldoende interesse bestaat. Bovendien dient het windrecht gebruikt te worden om de afgesproken opstalvergoedingen in agrarisch gebied te herwaarderen tot de billijke vergoeding van 5.000 €/jaar. Dan kunnen er meteen heel wat middelen vrijgemaakt worden ten voordele van een omgevingsfonds voor lokale ontwikkeling." (http://www.rescoopv.be/sites/default/files/Publicaties/co%C3%B6peratief_paspoort_2016.pdf)