Relatie Tussen Commons-Gerichte Burgercollectieven en de Overheid

From gentCommonsWiki
Jump to: navigation, search


Beschrijving

Filip De Rynck et al.:

"Nagenoeg alle collectieven beschreven zichzelf als burgerinitiatief en gaven aan zich onafhankelijk op te stellen ten opzichte van de markt en de overheid. Het grootste deel was zonder betrokkenheid van de overheid tot stand gekomen en bijna 80 procent gaf aan te kunnen bestaan zonder steun van de overheid. Ze hebben echter wel vaak te maken met de regulerende overheid die sterk de randvoorwaarden kan beïnvloeden waarmee deze collectieven moeten rekening houden of waardoor ze worden geremd in hun ontwikkeling. Over het algemeen lijken de collectieven eerder teleurgesteld in de overheid: ‘we worden vriendelijk gedoogd’ of ‘het ambtenarenapparaat staat eerder negatief tegenover ons initiatief’. De transitiegroepen zijn een uitzondering: niet alleen zoeken zij meer de medewerking van het lokale bestuur; sommige van hen ervaren de samenwerking als zeer prettig: ‘er was toch ook sprake van steun op verschillende punten. Het was geven en nemen’ (Oikos, 3/2016)." (https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf)

Uitreksel 1

Oikos, Dirk Holemans et al:

"Hoewel een goede relatie met de overheid belangrijk is voor de meeste initiatieven (21  % neutraal, 38  % mee eens, 38  % zeer mee eens), functioneren zij onafankelijk van de (lokale) overheden. Het grootste deel van de collectieven is tot stand gekomen zonder inspraak van de overheid (80  % mee eens/zeer mee eens, 3  % neutraal, 13  % oneens/ zeer oneens) en kan voortbestaan zonder haar steun (stelling: ‘zonder steun van de overheid kan ons initiatief niet bestaan’ 78  % oneens/zeer mee oneens, 11  % neutraal, 17  % eens/zeer eens). Met name coöperaties – waarbij leden via een aandeel zelf geld binnenbrengen – werken onafankelijk van de overheid. Een van deze coöperaties stelt dat ambtenaren zich eerder als controleur dan als adviseur opstellen en ziet dit als een gemiste kans om te laten zien dat ‘ondernemers en overheid partners kunnen zijn in de creatie van welvaart en welzijn’.

Cohousing- en elektrische-autodeelcollectieven zijn voor de randvoorwaarden van hun collectieven afankelijk van de (lokale) overheid. Cohousinginitiatieven hebben bouwvergunningen nodig en voor elektrisch rijden moeten laadpalen, parkeerplaatsen en verbalisering door de overheid worden verzorgd. Deze collectieven zijn daarmee op technische aspecten afankelijk van de steun van de overheid. In de beginfase van het project overleggen zij vaker met ambtenaren dan in latere stadia. Projecten die zich richten op de dagbesteding en woonruimte voor jongvolwassenen met een beperkingen werken wel nauwer samen met de overheid. Zo moeten de persoonlijke zorgbudgetten van de bewoners zorgen voor de betaling van het personeel. Deze worden door de overheid gefnancierd. Ook initiatieven die op gemeentegrond actief zijn doen veel meer in samenspraak en kunnen- als vanzelfsprekend – niet bestaan zonder de goedkeuring van de lokale overheid.

De meeste LETS-groepen lijken erg gesteld op hun onafankelijkheid van de (lokale) overheid. Opvallend is dat een aantal transitiegroepen daarentegen juist wel het contact met gemeenten zoekt: ‘zowel fnancieel (subsidies) als puur op energievlak (kansen om te investeren in hernieuwbare energie) alsook regelgeving…’.

Een gelijkaardige trend, zij het in minder sterke mate, is zichtbaar bij de stellingen: ‘Wij overleggen met het gemeentebestuur over welke diensten wij aanbieden’ (32  % helemaal oneens, 21 % oneens, 16 % mee eens, 12 % helemaal mee eens) en ‘het gemeentebestuur heeft zich actief ingezet voor de ontwikkeling van ons initiatief (32 % helemaal oneens, 21 % oneens, 16 % eens, 12 % eens). Dit versterkt de indruk dat de collectieven weinig verbonden zijn met de (lokale) overheid.

Dit is echter niet altijd uit vrije wil. Verschillende collectieven geven aan teleurgesteld te zijn in de houding van lokale bestuurders. Het meest onbevredigd lijken vertegenwoordigers van ‘uniekere’ initiatieven zonder overkoepelend orgaan (anders dan LETS-groepen, Transitiegroepen, Cohousing en CSA). Erkenning en steun van lokale overheden lijkt voor hen minder vanzelfsprekend. Zo antwoorden zij: ‘In het beste geval worden we vriendelijk gedoogd’ en ‘het ambtenarenapparaat staat eerder negatief tegenover ons initiatief’.

Toch zijn lang niet alle initiatieven teleurgesteld in het lokale bestuur. Sommige van hen, waaronder opnieuw opvallend de transitiegroepen, ervaren de samenwerking juist als zeer pretig.

Een van de cohousinginitiatieven vat het geheel trefend samen:

‘We hebben soms het gevoel gehad dat ze zich iets fexibeler hadden mogen opstellen, of alleszins niet altijd ingezien hebben hoe ze door hun beslissingen soms het project serieus bemoeilijkt hebben, maar anderzijds was er ook sprake van steun op verschillende punten. Het was geven en nemen.’


...


Het onderdeel ‘oprichting en burgers’ eindigt met de vraag of de respondenten hun initiatief ook daadwerkelijk als burgerinitiatief beschouwen. Deze vraag wordt door 70 van de 75 respondenten die op deze vraag antwoorden met ‘ja’ beantwoord. Met name de onafankelijkheid van markt en overheid is een veelgenoemde reden. Zo stelt een van de respondenten ‘trots [te] zijn om zonder structurele tussenkomst van de overheid, onafhankelijk en op eigen kracht koers te varen’. Daarnaast geven burgers met behulp van de collectieven hun directe leefomgeving zelf vorm, in plaats van bijvoorbeeld professionele middenveldorganisaties of projectontwikkelaars. Andere veelgenoemde redenen zijn dat iedereen kan aansluiten bij het initiatief, dat het draagkracht nodig heeft van een grote groep mensen uit de lokale gemeenschap, dat het tot doel heeft de verstandhouding tussen buurtbewoners te stimuleren en dat het het gemeenschappelijk belang wil vertegenwoordigen. Wel geven enkele initiatieven aan in de loop der jaren sterk geprofessionaliseerd te zijn. " (http://www.coopkracht.org/images/phocadownload/burgercollectieven%20in%20kaart%20gebracht%20-%20fleur%20noy%20%20dirk%20holemans.pdf)

Bron 1

  • Oikos studie: Burgercollectieven in kaart gebracht. Van Fleur Noy & Dirk Holemans. Oikos,2016

URL = http://www.coopkracht.org/images/phocadownload/burgercollectieven%20in%20kaart%20gebracht%20-%20fleur%20noy%20%20dirk%20holemans.pdf


Uitreksel 2

Filip De Rynck et al.:

1. Uitreksel over de cruciale rol van het klassieke middenveld en de overheid in het sukses van burger-initiatieven:

" Via detailanalyses bleek dat het gesubsidieerde professionele middenveld (bijv: Samenlevingsopbouw) belangrijke intermediaire functies vervulde, die onmisbaar waren voor het succes van tijdelijke invullingen. Ze vervulden deze functies niet alleen met overheidsmiddelen, maar soms ook op uitdrukkelijk verzoek en met extra financiering van de stedelijke overheid, soms gebruikten ze deze middelen om ongevraagd initiatieven te steunen. Bij andere cases wijzigt de aard van de relatie met de overheid tijdens het proces en wisselen periodes van antagonisme af met periodes van partnerschap. In geen enkel geval, althans niet bij deze tijdelijke invullingen, was er sprake van een terugtredende overheid. Waar de stedelijke overheid bijvoorbeeld het beheer van het park- of buurtgroen door een groep burgers liet gebeuren in plaats van door de eigen groendienst, ging dat gepaard met investeringen in begeleiding, die ruim de zogenaamde besparing compenseerden. Het ging overigens ook gepaard met frustratie bij de groenwerkers die zich in hun beroepseer gekrenkt voelden. De overheid bestaat uit mensen en emoties hebben daar ook hun plaats."


2.

"Vaker wel dan niet ontstaan initiatieven door individuele maar ook goed geïnformeerde burgers die hun weg kennen in het politieke systeem en er soms sterk mee geaffilieerd zijn. Hun toegang en kennis is zonder meer een belangrijke hulpbron voor het initiatief. Deze every day makers gebruiken het politieke systeem om hun agenda te realiseren maar laten zich ook soms gebruiken. Het gaat vaak om sterke burgers die bijvoorbeeld in een beroepsmatige context professioneel met deze materies bezig zijn, al dan niet in de eigen stad. Bij de initiatieven zijn soms ambtenaren betrokken die als vrijwilliger in de eigen stad of buurt actief zijn en dubbele rollen spelen. Vaak spelen professionelen uit de ruime (door de Vlaamse overheid gesubsidieerde) socioculturele sfeer een ondersteunende rol, voor zover ze dus al niet door de overheid expliciet worden ingeschakeld. En stedelijke ambtenaren vervullen vanuit hun ambtelijke rol ondersteunende functies, bijvoorbeeld om stadsdiensten te coördineren in hun verhouding met burgerinitiatief. In veel gevallen blijkt de benaming ‘burgerinitiatief’ een sterke veralgemening voor wat eerder een netwerk is van mensen die vanuit verschillende posities rond een gemeenschappelijk initiatief opereren."

Bron 2

Discussie

De Complexe Rol van de Overheid in Commons Arrangementen

Filip De Rynck et al.:

"De complexiteit van het begrip ‘overheid’ blijkt goed uit de cases. We zien verschillende niveaus en verschillende rollen van overheden door elkaar lopen in de arrangementen rond deze initiatieven. Op het microniveau zien we vaak een mix van faciliterende maar ook van initiatiefnemende rollen van lokale politici en van lokale ambtenaren. Van manifeste tegenwerking was heel zelden sprake, wel hier en daar van onverschilligheid. Soms voelen de initiatieven zich ook goed bij dat laatste. Die goedwillendheid, in de meeste cases toch, kan te maken hebben met het karakter van deze initiatieven, die goed passen in een alternatief discours van een moderne stad. Een stad zonder stadslandbouw en zonder repaircafés is dan achterlijk. In enkele cases trekken politici en ambtenaren uit overtuiging mee het initiatief omdat ze daar zelf ook in geloven. De balans tussen overtuiging en marketing kan soms subtiel zijn.

Een belangrijk element dat mee de verhouding met het stadsbestuur kan verklaren, is de aard van de initiatiefnemers: het gaat in bijna alle gevallen om sterke mensen met heel wat hulpbronnen die hen gemakkelijk toegang geven tot het politieke en administratieve systeem. Zij staan zowel qua achtergrond als sociaal – economische kenmerken dicht bij de sleutelfiguren in dat systeem.

In het arrangement rond deze initiatieven duiken nagenoeg altijd meerdere overheden op. Initiatiefnemers moeten dan arrangeur spelen in een poging om deze verschillende stelsels op maat te brengen en te gebruiken. We zien vaak hoe initiatieven te maken hebben met regulerende kaders, overwegend vanuit de centrale federale en Vlaamse, soms Europese niveaus. Lokale politici en ambtenaren functioneren zelf ook binnen die bovenlokale regelgeving. Het lijkt bij momenten alsof deze anonieme regulerende overheid (‘het systeem’) bestaat uit regelstelsels waarop niemand vat heeft en die ook individuele bestuurders overkomen. Die regulering wordt over het algemeen als eerder hinderend ervaren en in elk geval als niet stimulerend voor burgerinitiatieven. Ze steunen, bijvoorbeeld op het vlak van wonen, op klassieke concepten van wonen en gezinnen. De regelgeving moet dan creatief worden geïnterpreteerd en er is steun nodig voor deze interpretatie vanwege lokale bestuurders. Dat gaat gepaard met aarzeling en onzekerheid bij initiatiefnemers. Waar regelgeving verandert, bijvoorbeeld in de richting van vermaatschappelijking, blijkt vanuit de initiatieven hoe groot het verschil is tussen de retoriek en de concrete doorwerking van die kanteling op het terrein. Ook al hadden we maar één case over zorg, die case lijkt wel exemplarisch te zijn voor wat zich op het microniveau afspeelt. De vermaatschappelijking gaat gepaard met nieuwe criteria voor uitsluiting en de creatie van nieuwe wachtlijsten. De kans is groot dat boeiende initiatieven daarop struikelen.

Ook lokale regelgeving is soms hinderend, bijvoorbeeld voor de initiatieven inzake autodelen. Het zit vaak in kleine zaken, bijvoorbeeld het niet voorzien van steun voor coöperatieven. Het is soms onbegrijpelijk waarom dit soort relatief kleine hindernissen niet al veel eerder is opgeruimd. Regels leiden een persistent leven en de logica’s van indertijd laten zich lastig keren.

We zien de overheid hier nog in een andere gedaante opduiken en dat bevestigt het patroon dat we vonden bij de studie van de tijdelijke invullingen in Gent. Belangrijke delen van het maatschappelijke middenveld die actief zijn op de stedelijke scene worden zowel door de centrale als door de lokale overheden financieel sterk ondersteund. Het is in die meervoudig gesubsidieerde stedelijke ruimte dat veel collectieven op een of andere manier steun ervaren, of zelfs dat het gesubsidieerde middenveld een sleutelrol speelt in het tot stand laten komen van initiatieven. In enkele gevallen, in Gent met name, wordt het professionele middenveld daarvoor ook expliciet door het stadsbestuur ingeschakeld. Ook als dat niet het geval is, blijft wel de vaststelling dat we hier de overheid in een indirecte gedaante zien, via de steun aan het brede socioculturele middenveld. Daar zit geen bewuste strategie achter en het zit niet in het formele beleid, maar de realiteit op het stedelijke terrein is wel dat de gesubsidieerde stedelijke ruimte als voedingsbodem dient, direct of indirect, van veel van deze initiatieven. Afhankelijk van de context en de interpretatie kunnen we zeggen dat men zich al dan niet laat gebruiken door de overheid maar ook dat er een gemeenschappelijke agenda ontstaat waarin politici, ambtenaren en middenveld elkaar gebruiken.

Onze analyse, hoe verkennend ze ook was, maakt duidelijk dat het klassieke beeld van ‘de’ rol van ‘de’ overheid inderdaad niet geschikt is om de complexiteit van verscheiden rollen van een gelaagd georganiseerde overheid, verweven in deze arrangementen, goed te vatten.


Als er al een algemene conclusie mogelijk is, dan is het eerder

(1) dat de regulerende overheid en de faciliterende overheid elkaar in de weg kunnen zitten;

(2) dat de overheid in haar indirecte rol als ondersteuner van het middenveld, belangrijke innovatie mogelijk maakt, ook al staat dat dan vrij los van het formele beleid;

(3) dat de overheid op dit moment wel volgt en eventueel faciliteert via de frontlijnpolitici en de frontlijnambtenaren, maar dat er zeker geen sprake is van een proactief beleid dat burgerinitiatieven meer ruimte zou geven of expliciet mikt op een vermenigvuldiging van deze initiatieven. Daarvoor zijn deze initiatieven wellicht nog te marginaal." (https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf)