Commons Arrangementen

From gentCommonsWiki
Jump to: navigation, search


Discussie

Filip De Rynck et al.:

1.

"In bepaalde literatuur klinkt het dat de naoorlogse geschiedenis eerst werd gedomineerd door de gedachte dat de overheid diensten zelf moest organiseren; vervolgens zou dan, vanaf de jaren 1980, een periode zijn gekomen waarin de markt domineerde. In beide visies was er geen plaats voor burgercollectieven: de staat of de markt konden het beter. En dan zou nu de era van de burgercollectieven zijn aangebroken. Als de redenering van de dominantie van ‘eerst de staat en dan de markt’ klopt, zou de ruimte voor burgercollectieven erg klein moeten zijn geworden. Ofwel zijn voormalige collectieven door de staat overgenomen of bezet de staat alle ruimte met eigen diensten en voorzieningen, ofwel zijn ze door de markt geprivatiseerd of belet de markt dat er commons kunnen ontstaan. Als er bijvoorbeeld voor de plaatsing van windmolens geen gemene gronden meer zijn maar alleen private eigendommen, stelselmatig en met dat doel opgekocht door de grote bedrijven, dan is de ruimte voor burgercoö- peratieven, letterlijk en figuurlijk, beperkt.

De eenvoud van het beeld (eerst staat, dan markt) charmeert, maar het reduceert de complexiteit. In Vlaanderen/België is het nooit zo geweest dat de overheid alle diensten monopoliseerde. Het middenveld speelde en speelt daarin nog altijd een cruciale rol als publieke dienstverlener en als publieke ondernemer. De privatisering van publieke diensten is in Vlaanderen vooralsnog veel minder sterk doorgevoerd dan in andere landen (Pollitt en Bouckaert, 2011). Een al te verregaande privatisering is onder andere tegengehouden door een sterk middenveld en de christen-democratische en sociaal-democratische bestuurlijke tradities. Het publieke domein in Vlaanderen is niet het voorwerp van het ene (staat) of het andere (markt), het krijgt vorm doorheen complexe arrangementen tussen markt, overheid en middenveld, doorheen vele beleidsdomeinen en op verschillende schaalniveaus. De vraag is eerder welke positie burgercollectieven in deze arrangementen innemen; hoe deze arrangementen ze eventueel beïnvloeden, zowel in hun ontstaan, als hun werking en toekomstperspectief; en hoe deze arrangementen eventueel verschuiven als gevolg van de creatie van burgercollectieven. Het is zeker zo dat de burgercollectieven een oude gedachte nieuw leven inblazen. Ze doen dat zeker rond nieuwe thema’s en hanteren andere werkvormen. En ze openen zeker een interessant debat over de richting die gestolde arrangementen uit moeten. Het is dat concept van arrangementen dat we in deze bijdrage gebruiken."


2.

"We hadden het over ‘arrangementen’ om de diversiteit (naar object en in de tijd) te vatten en dat woord dekt deze diversiteit goed. Ook binnen op het eerste zicht gelijkende initiatieven en zelfs tussen initiatieven die dezelfde namen dragen (Fablabs, repaircafés, instrumenttheken, stadslandbouw, lokale munten,...) ziet het arrangement er vaak toch heel verschillend uit: van vrijwilligersinitiatief tot overheidsinitiatief; initiatieven waarvan de kern marktgericht is versus initiatieven waar geen vermarkting merkbaar is. Bij een aantal initiatieven zien we dynamiek in het arrangement: wat eens een common was, blijft dat niet noodzakelijk en wordt meer hybride, verschuivend richting overheid of richting markt. De aard van die hybriditeit kan ook verschillend zijn tussen initiatieven met dezelfde namen." (https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf)


De Complexe Rol van de Overheid in Commons Arrangementen

Filip De Rynck et al.:

"De complexiteit van het begrip ‘overheid’ blijkt goed uit de cases. We zien verschillende niveaus en verschillende rollen van overheden door elkaar lopen in de arrangementen rond deze initiatieven. Op het microniveau zien we vaak een mix van faciliterende maar ook van initiatiefnemende rollen van lokale politici en van lokale ambtenaren. Van manifeste tegenwerking was heel zelden sprake, wel hier en daar van onverschilligheid. Soms voelen de initiatieven zich ook goed bij dat laatste. Die goedwillendheid, in de meeste cases toch, kan te maken hebben met het karakter van deze initiatieven, die goed passen in een alternatief discours van een moderne stad. Een stad zonder stadslandbouw en zonder repaircafés is dan achterlijk. In enkele cases trekken politici en ambtenaren uit overtuiging mee het initiatief omdat ze daar zelf ook in geloven. De balans tussen overtuiging en marketing kan soms subtiel zijn.

Een belangrijk element dat mee de verhouding met het stadsbestuur kan verklaren, is de aard van de initiatiefnemers: het gaat in bijna alle gevallen om sterke mensen met heel wat hulpbronnen die hen gemakkelijk toegang geven tot het politieke en administratieve systeem. Zij staan zowel qua achtergrond als sociaal – economische kenmerken dicht bij de sleutelfiguren in dat systeem.

In het arrangement rond deze initiatieven duiken nagenoeg altijd meerdere overheden op. Initiatiefnemers moeten dan arrangeur spelen in een poging om deze verschillende stelsels op maat te brengen en te gebruiken. We zien vaak hoe initiatieven te maken hebben met regulerende kaders, overwegend vanuit de centrale federale en Vlaamse, soms Europese niveaus. Lokale politici en ambtenaren functioneren zelf ook binnen die bovenlokale regelgeving. Het lijkt bij momenten alsof deze anonieme regulerende overheid (‘het systeem’) bestaat uit regelstelsels waarop niemand vat heeft en die ook individuele bestuurders overkomen. Die regulering wordt over het algemeen als eerder hinderend ervaren en in elk geval als niet stimulerend voor burgerinitiatieven. Ze steunen, bijvoorbeeld op het vlak van wonen, op klassieke concepten van wonen en gezinnen. De regelgeving moet dan creatief worden geïnterpreteerd en er is steun nodig voor deze interpretatie vanwege lokale bestuurders. Dat gaat gepaard met aarzeling en onzekerheid bij initiatiefnemers. Waar regelgeving verandert, bijvoorbeeld in de richting van vermaatschappelijking, blijkt vanuit de initiatieven hoe groot het verschil is tussen de retoriek en de concrete doorwerking van die kanteling op het terrein. Ook al hadden we maar één case over zorg, die case lijkt wel exemplarisch te zijn voor wat zich op het microniveau afspeelt. De vermaatschappelijking gaat gepaard met nieuwe criteria voor uitsluiting en de creatie van nieuwe wachtlijsten. De kans is groot dat boeiende initiatieven daarop struikelen.

Ook lokale regelgeving is soms hinderend, bijvoorbeeld voor de initiatieven inzake autodelen. Het zit vaak in kleine zaken, bijvoorbeeld het niet voorzien van steun voor coöperatieven. Het is soms onbegrijpelijk waarom dit soort relatief kleine hindernissen niet al veel eerder is opgeruimd. Regels leiden een persistent leven en de logica’s van indertijd laten zich lastig keren.

We zien de overheid hier nog in een andere gedaante opduiken en dat bevestigt het patroon dat we vonden bij de studie van de tijdelijke invullingen in Gent. Belangrijke delen van het maatschappelijke middenveld die actief zijn op de stedelijke scene worden zowel door de centrale als door de lokale overheden financieel sterk ondersteund. Het is in die meervoudig gesubsidieerde stedelijke ruimte dat veel collectieven op een of andere manier steun ervaren, of zelfs dat het gesubsidieerde middenveld een sleutelrol speelt in het tot stand laten komen van initiatieven. In enkele gevallen, in Gent met name, wordt het professionele middenveld daarvoor ook expliciet door het stadsbestuur ingeschakeld. Ook als dat niet het geval is, blijft wel de vaststelling dat we hier de overheid in een indirecte gedaante zien, via de steun aan het brede socioculturele middenveld. Daar zit geen bewuste strategie achter en het zit niet in het formele beleid, maar de realiteit op het stedelijke terrein is wel dat de gesubsidieerde stedelijke ruimte als voedingsbodem dient, direct of indirect, van veel van deze initiatieven. Afhankelijk van de context en de interpretatie kunnen we zeggen dat men zich al dan niet laat gebruiken door de overheid maar ook dat er een gemeenschappelijke agenda ontstaat waarin politici, ambtenaren en middenveld elkaar gebruiken.

Onze analyse, hoe verkennend ze ook was, maakt duidelijk dat het klassieke beeld van ‘de’ rol van ‘de’ overheid inderdaad niet geschikt is om de complexiteit van verscheiden rollen van een gelaagd georganiseerde overheid, verweven in deze arrangementen, goed te vatten.


Als er al een algemene conclusie mogelijk is, dan is het eerder

(1) dat de regulerende overheid en de faciliterende overheid elkaar in de weg kunnen zitten;

(2) dat de overheid in haar indirecte rol als ondersteuner van het middenveld, belangrijke innovatie mogelijk maakt, ook al staat dat dan vrij los van het formele beleid;

(3) dat de overheid op dit moment wel volgt en eventueel faciliteert via de frontlijnpolitici en de frontlijnambtenaren, maar dat er zeker geen sprake is van een proactief beleid dat burgerinitiatieven meer ruimte zou geven of expliciet mikt op een vermenigvuldiging van deze initiatieven. Daarvoor zijn deze initiatieven wellicht nog te marginaal." (https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf)