Analyse van Commons Arrangementen in Vlaanderen

From gentCommonsWiki
Jump to: navigation, search

* Rapport: De commons: zelfregulerend of afhankelijk? Een analyse van arrangementen. Van Filip De Rynck, Evelien Depauw en Raf Pauly. Oikos,

URL = https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf

Beschrijving

"Filip De Rynck en Raf Pauly werken binnen CSI Flanders rond de verhouding tussen middenveldorganisaties en overheden. Voor Oikos schreven ze samen met Evelien Depauw een bijdrage over de verhouding tussen burgercollectieven (of commons) en de overheid. De bijdrage is gebaseerd op verkennend onderzoek bij deze collectieven door masterstudenten van de opleiding bestuurskunde (UGent) en omvat ook reflecties en uitdagende vragen op basis van de bevindingen." (https://www.middenveldinnovatie.be/publicaties/de-commons-een-analyse-van-arrangementen)


Besluit

De belangrijkste besluiten van die studie:

"Onze analyse, hoe verkennend ze ook was, maakt duidelijk dat het klassieke beeld van ‘de’ rol van ‘de’ overheid inderdaad niet geschikt is om de complexiteit van verscheiden rollen van een gelaagd georganiseerde overheid, verweven in deze arrangementen, goed te vatten.


Als er al een algemene conclusie mogelijk is, dan is het eerder

(1) dat de regulerende overheid en de faciliterende overheid elkaar in de weg kunnen zitten;

(2) dat de overheid in haar indirecte rol als ondersteuner van het middenveld, belangrijke innovatie mogelijk maakt, ook al staat dat dan vrij los van het formele beleid;

(3) dat de overheid op dit moment wel volgt en eventueel faciliteert via de frontlijnpolitici en de frontlijnambtenaren, maar dat er zeker geen sprake is van een proactief beleid dat burgerinitiatieven meer ruimte zou geven of expliciet mikt op een vermenigvuldiging van deze initiatieven. Daarvoor zijn deze initiatieven wellicht nog te marginaal." (https://www.middenveldinnovatie.be/publicaties/de-commons-een-analyse-van-arrangementen)


Uitreksels

Commons 'Arrangementen'

Filip De Rynck et al.:

1.

"In bepaalde literatuur klinkt het dat de naoorlogse geschiedenis eerst werd gedomineerd door de gedachte dat de overheid diensten zelf moest organiseren; vervolgens zou dan, vanaf de jaren 1980, een periode zijn gekomen waarin de markt domineerde. In beide visies was er geen plaats voor burgercollectieven: de staat of de markt konden het beter. En dan zou nu de era van de burgercollectieven zijn aangebroken. Als de redenering van de dominantie van ‘eerst de staat en dan de markt’ klopt, zou de ruimte voor burgercollectieven erg klein moeten zijn geworden. Ofwel zijn voormalige collectieven door de staat overgenomen of bezet de staat alle ruimte met eigen diensten en voorzieningen, ofwel zijn ze door de markt geprivatiseerd of belet de markt dat er commons kunnen ontstaan. Als er bijvoorbeeld voor de plaatsing van windmolens geen gemene gronden meer zijn maar alleen private eigendommen, stelselmatig en met dat doel opgekocht door de grote bedrijven, dan is de ruimte voor burgercoö- peratieven, letterlijk en figuurlijk, beperkt.

De eenvoud van het beeld (eerst staat, dan markt) charmeert, maar het reduceert de complexiteit. In Vlaanderen/België is het nooit zo geweest dat de overheid alle diensten monopoliseerde. Het middenveld speelde en speelt daarin nog altijd een cruciale rol als publieke dienstverlener en als publieke ondernemer. De privatisering van publieke diensten is in Vlaanderen vooralsnog veel minder sterk doorgevoerd dan in andere landen (Pollitt en Bouckaert, 2011). Een al te verregaande privatisering is onder andere tegengehouden door een sterk middenveld en de christen-democratische en sociaal-democratische bestuurlijke tradities. Het publieke domein in Vlaanderen is niet het voorwerp van het ene (staat) of het andere (markt), het krijgt vorm doorheen complexe arrangementen tussen markt, overheid en middenveld, doorheen vele beleidsdomeinen en op verschillende schaalniveaus. De vraag is eerder welke positie burgercollectieven in deze arrangementen innemen; hoe deze arrangementen ze eventueel beïnvloeden, zowel in hun ontstaan, als hun werking en toekomstperspectief; en hoe deze arrangementen eventueel verschuiven als gevolg van de creatie van burgercollectieven. Het is zeker zo dat de burgercollectieven een oude gedachte nieuw leven inblazen. Ze doen dat zeker rond nieuwe thema’s en hanteren andere werkvormen. En ze openen zeker een interessant debat over de richting die gestolde arrangementen uit moeten. Het is dat concept van arrangementen dat we in deze bijdrage gebruiken."


2.

"We hadden het over ‘arrangementen’ om de diversiteit (naar object en in de tijd) te vatten en dat woord dekt deze diversiteit goed. Ook binnen op het eerste zicht gelijkende initiatieven en zelfs tussen initiatieven die dezelfde namen dragen (Fablabs, repaircafés, instrumenttheken, stadslandbouw, lokale munten,...) ziet het arrangement er vaak toch heel verschillend uit: van vrijwilligersinitiatief tot overheidsinitiatief; initiatieven waarvan de kern marktgericht is versus initiatieven waar geen vermarkting merkbaar is. Bij een aantal initiatieven zien we dynamiek in het arrangement: wat eens een common was, blijft dat niet noodzakelijk en wordt meer hybride, verschuivend richting overheid of richting markt. De aard van die hybriditeit kan ook verschillend zijn tussen initiatieven met dezelfde namen." (https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf)

Worden burger-initiatieven gestimuleerd door een 'terugtredende overheid' ?

Filip De Rynck et al.:

" De burgerinitiatieven mogen dan een aura van autonomie uitstralen, misschien hangt deze autonomie samen met een veranderde invulling van de rol van de overheid en hangen beide fenomenen samen? In sommige landen is dat zeker zo en wordt de opkomst van burgerinitiatieven zelfs een noodzaak, waarbij Griekenland al even traditioneel als meest dramatisch voorbeeld wordt gebruikt. Het aantal coöperatieven en initiatieven in dat land boomt sterk, maar vaak proberen deze noodgedwongen de gevolgen van de draconische besparingen op te vangen. Burgers nemen de bibliotheek of het postkantoor over. De noodzaak domineert op de vrije keuze. In Nederland heet het de ‘participatiemaatschappij’, in de UK heette dat Big Society. Al snel duikt dan de term ‘terugtredende overheid’ op: de neoliberaal denkende overheid stoot taken af en ziet met graagte hoe burgers deze taken vervolgens in eigen beheer overnemen. In deze betekenis gaat het dus om taken die eerder door de overheid werden vervuld (anders gaat het niet om terugtreden of afstoten) en de verwachting is dat samenwerkende burgers het initiatief zullen nemen." (https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf)


Over de cruciale rol van het klassieke middenveld en de overheid in het sukses van burger-initiatieven

Filip De Rynck et al:

" Via detailanalyses bleek dat het gesubsidieerde professionele middenveld (bijv: Samenlevingsopbouw) belangrijke intermediaire functies vervulde, die onmisbaar waren voor het succes van tijdelijke invullingen. Ze vervulden deze functies niet alleen met overheidsmiddelen, maar soms ook op uitdrukkelijk verzoek en met extra financiering van de stedelijke overheid, soms gebruikten ze deze middelen om ongevraagd initiatieven te steunen. Bij andere cases wijzigt de aard van de relatie met de overheid tijdens het proces en wisselen periodes van antagonisme af met periodes van partnerschap. In geen enkel geval, althans niet bij deze tijdelijke invullingen, was er sprake van een terugtredende overheid. Waar de stedelijke overheid bijvoorbeeld het beheer van het park- of buurtgroen door een groep burgers liet gebeuren in plaats van door de eigen groendienst, ging dat gepaard met investeringen in begeleiding, die ruim de zogenaamde besparing compenseerden. Het ging overigens ook gepaard met frustratie bij de groenwerkers die zich in hun beroepseer gekrenkt voelden. De overheid bestaat uit mensen en emoties hebben daar ook hun plaats.

...

Vaker wel dan niet ontstaan initiatieven door individuele maar ook goed geïnformeerde burgers die hun weg kennen in het politieke systeem en er soms sterk mee geaffilieerd zijn. Hun toegang en kennis is zonder meer een belangrijke hulpbron voor het initiatief. Deze every day makers gebruiken het politieke systeem om hun agenda te realiseren maar laten zich ook soms gebruiken. Het gaat vaak om sterke burgers die bijvoorbeeld in een beroepsmatige context professioneel met deze materies bezig zijn, al dan niet in de eigen stad. Bij de initiatieven zijn soms ambtenaren betrokken die als vrijwilliger in de eigen stad of buurt actief zijn en dubbele rollen spelen. Vaak spelen professionelen uit de ruime (door de Vlaamse overheid gesubsidieerde) socioculturele sfeer een ondersteunende rol, voor zover ze dus al niet door de overheid expliciet worden ingeschakeld. En stedelijke ambtenaren vervullen vanuit hun ambtelijke rol ondersteunende functies, bijvoorbeeld om stadsdiensten te coördineren in hun verhouding met burgerinitiatief. In veel gevallen blijkt de benaming ‘burgerinitiatief’ een sterke veralgemening voor wat eerder een netwerk is van mensen die vanuit verschillende posities rond een gemeenschappelijk initiatief opereren."" (https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf)


De Complexe Rol van de Overheid in Commons Arrangementen

Filip De Rynck et al.:

"De complexiteit van het begrip ‘overheid’ blijkt goed uit de cases. We zien verschillende niveaus en verschillende rollen van overheden door elkaar lopen in de arrangementen rond deze initiatieven. Op het microniveau zien we vaak een mix van faciliterende maar ook van initiatiefnemende rollen van lokale politici en van lokale ambtenaren. Van manifeste tegenwerking was heel zelden sprake, wel hier en daar van onverschilligheid. Soms voelen de initiatieven zich ook goed bij dat laatste. Die goedwillendheid, in de meeste cases toch, kan te maken hebben met het karakter van deze initiatieven, die goed passen in een alternatief discours van een moderne stad. Een stad zonder stadslandbouw en zonder repaircafés is dan achterlijk. In enkele cases trekken politici en ambtenaren uit overtuiging mee het initiatief omdat ze daar zelf ook in geloven. De balans tussen overtuiging en marketing kan soms subtiel zijn.

Een belangrijk element dat mee de verhouding met het stadsbestuur kan verklaren, is de aard van de initiatiefnemers: het gaat in bijna alle gevallen om sterke mensen met heel wat hulpbronnen die hen gemakkelijk toegang geven tot het politieke en administratieve systeem. Zij staan zowel qua achtergrond als sociaal – economische kenmerken dicht bij de sleutelfiguren in dat systeem.

In het arrangement rond deze initiatieven duiken nagenoeg altijd meerdere overheden op. Initiatiefnemers moeten dan arrangeur spelen in een poging om deze verschillende stelsels op maat te brengen en te gebruiken. We zien vaak hoe initiatieven te maken hebben met regulerende kaders, overwegend vanuit de centrale federale en Vlaamse, soms Europese niveaus. Lokale politici en ambtenaren functioneren zelf ook binnen die bovenlokale regelgeving. Het lijkt bij momenten alsof deze anonieme regulerende overheid (‘het systeem’) bestaat uit regelstelsels waarop niemand vat heeft en die ook individuele bestuurders overkomen. Die regulering wordt over het algemeen als eerder hinderend ervaren en in elk geval als niet stimulerend voor burgerinitiatieven. Ze steunen, bijvoorbeeld op het vlak van wonen, op klassieke concepten van wonen en gezinnen. De regelgeving moet dan creatief worden geïnterpreteerd en er is steun nodig voor deze interpretatie vanwege lokale bestuurders. Dat gaat gepaard met aarzeling en onzekerheid bij initiatiefnemers. Waar regelgeving verandert, bijvoorbeeld in de richting van vermaatschappelijking, blijkt vanuit de initiatieven hoe groot het verschil is tussen de retoriek en de concrete doorwerking van die kanteling op het terrein. Ook al hadden we maar één case over zorg, die case lijkt wel exemplarisch te zijn voor wat zich op het microniveau afspeelt. De vermaatschappelijking gaat gepaard met nieuwe criteria voor uitsluiting en de creatie van nieuwe wachtlijsten. De kans is groot dat boeiende initiatieven daarop struikelen.

Ook lokale regelgeving is soms hinderend, bijvoorbeeld voor de initiatieven inzake autodelen. Het zit vaak in kleine zaken, bijvoorbeeld het niet voorzien van steun voor coöperatieven. Het is soms onbegrijpelijk waarom dit soort relatief kleine hindernissen niet al veel eerder is opgeruimd. Regels leiden een persistent leven en de logica’s van indertijd laten zich lastig keren.

We zien de overheid hier nog in een andere gedaante opduiken en dat bevestigt het patroon dat we vonden bij de studie van de tijdelijke invullingen in Gent. Belangrijke delen van het maatschappelijke middenveld die actief zijn op de stedelijke scene worden zowel door de centrale als door de lokale overheden financieel sterk ondersteund. Het is in die meervoudig gesubsidieerde stedelijke ruimte dat veel collectieven op een of andere manier steun ervaren, of zelfs dat het gesubsidieerde middenveld een sleutelrol speelt in het tot stand laten komen van initiatieven. In enkele gevallen, in Gent met name, wordt het professionele middenveld daarvoor ook expliciet door het stadsbestuur ingeschakeld. Ook als dat niet het geval is, blijft wel de vaststelling dat we hier de overheid in een indirecte gedaante zien, via de steun aan het brede socioculturele middenveld. Daar zit geen bewuste strategie achter en het zit niet in het formele beleid, maar de realiteit op het stedelijke terrein is wel dat de gesubsidieerde stedelijke ruimte als voedingsbodem dient, direct of indirect, van veel van deze initiatieven. Afhankelijk van de context en de interpretatie kunnen we zeggen dat men zich al dan niet laat gebruiken door de overheid maar ook dat er een gemeenschappelijke agenda ontstaat waarin politici, ambtenaren en middenveld elkaar gebruiken.

Onze analyse, hoe verkennend ze ook was, maakt duidelijk dat het klassieke beeld van ‘de’ rol van ‘de’ overheid inderdaad niet geschikt is om de complexiteit van verscheiden rollen van een gelaagd georganiseerde overheid, verweven in deze arrangementen, goed te vatten.


Als er al een algemene conclusie mogelijk is, dan is het eerder

(1) dat de regulerende overheid en de faciliterende overheid elkaar in de weg kunnen zitten;

(2) dat de overheid in haar indirecte rol als ondersteuner van het middenveld, belangrijke innovatie mogelijk maakt, ook al staat dat dan vrij los van het formele beleid;

(3) dat de overheid op dit moment wel volgt en eventueel faciliteert via de frontlijnpolitici en de frontlijnambtenaren, maar dat er zeker geen sprake is van een proactief beleid dat burgerinitiatieven meer ruimte zou geven of expliciet mikt op een vermenigvuldiging van deze initiatieven. Daarvoor zijn deze initiatieven wellicht nog te marginaal." (https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf)


Zijn er Goede Commons en Slechte Commons?

Filip De Rynck et al.:

"We eindigen met een meer provocerende vraag die rechtstreeks te maken heeft met de rol van de overheid in haar verhoudingen met de commons. Zijn er goede commons en slechte commons? De vraag refereert vanzelfsprekend aan de maatschappijbeelden die de commons ondersteunen maar ook aan de maatschappijbeelden om de commons te beoordelen. Ook in onze selectie hebben we commons geselecteerd die ondertussen tot het linksgroene gemeengoed (!) behoren: de stadslandbouw, de repaircafés,... Van der Steen, van Twist en Karré (2011) wijzen bijvoorbeeld op de zogenaamde gated communities die zeer populair zijn in de VS en naar de opkomst van vergelijkbare vormen in Nederland. Ze wijzen, ten tweede, op de trend van geloofsgemeenschappen om zich sterk rond het geloof als bindende kracht te organiseren en zo een wereld op zichzelf te vormen. Zij plaatsen dat in een beweging waarbij mensen afstand willen nemen van het huidige politieke en democratische systeem en hun eigen publiek domein willen creëren en beheren, weliswaar bovenop de bestaande ordening die voor bepaalde aspecten blijft doorwerken in de commons (een moord in een gated community kan niet even door burgers onderling worden geregeld).

Natuurlijk zijn er verschillen. De gated communities zijn meestal op winst gerichte initiatieven van en voor private ontwikkelaars die vervolgens een common van geïnteresseerden bij elkaar brengen. De auteurs wijzen erop dat deze vormen van commons mensen bewust kunnen uitsluiten: mensen van een andere origine, met een andere seksuele geaardheid, met een ander geloof. Dat is alvast niet wat de ‘goede’ commons beogen: coöperatieven staan voor iedereen open. Niettemin treedt hier indirect ook wel uitsluiting op: door de taal en cultuur selecteren deze initiatieven vaak toch de gelijkgezinden en de min of meer gelijken wat sociale klasse betreft. De commons trekken vooral mensen uit de middenklasse aan.

De cruciale vraag die Van der Steen c.s. oproepen, is hoe we die creatie van eigen gemeenschappen (meer open of meer gesloten) moeten inschatten: blijft dat een beperkt fenomeen of is dat de voorbode voor een balkanisering van onze samenleving? Het gaat bij de commons immers om groepen mensen die een eigen gemeenschap creëren, eigen verantwoordelijkheid opnemen, onderlinge spelregels ontwikkelen, in een ruimte tussen overheid en markt. Op welke gronden kunnen we mensen stimuleren om een energiecoöperatieve op te richten maar wooncoöperatieven verbieden waar bemiddelde burgers hun eigen common organiseren, exclusief de zorg voor hun eigen zorg en voor hun eigen veiligheid? Commons zijn altijd vormen van kleine polissen die het debat activeren over de zorg voor de grote Polis. In welke richting willen we onze solidariteit zien evolueren: op microniveau, zorgend voor onszelf en onze gelijken; op macroniveau voor mensen die we niet kennen en die we niet willen kennen? En waar ligt het evenwicht tussen beide of brengt de ontwikkeling van het ene onvermijdelijk de zorg voor het andere in gevaar? Dat debat staat nog maar in de kinderschoenen. De commons zijn dan wellicht kwantitatief en op het vlak van bereik voorlopig nog maar marginaal, ze hebben alvast de verdienste dat ze de ideologische vraagstukken over de ordening van onze samenleving weer centraal plaatsen." (https://www.middenveldinnovatie.be/sites/default/files/2017-04/Oikos%2081_03%20transitie_De%20Rynck%20Depauw%20Pauly.pdf)